Trudy van der Wees – 80 jaar

Mijn verre voorouder is Clara van Sparwoude, weldoenster in Delft. Het schilderij van mijn omaatje hing jaren in Het Prinsenhof in de hal. Hoe belangrijk het is om iets te weten van je verleden heb ik mijn kinderen verteld zoals mijn moeder dat mij vertelde.

In Naaldwijk waar ik geboren ben, had men in de Gereformeerde Kerk (nu P.K.N.) een groep die zich de Elite Club noemde. Later ontmoette ik iemand die stamonderzoek deed die verbaasd uitriep: Meid, je zit er nog dichterbij dan ik. Dat was de kant van mijn oma Kuyvenhoven. Haar broers hadden gestudeerd en de vrouwen trouwden goed weg. Mijn overgrootvader had het 1e gereformeerde kerkje gesticht, nadat ze afgescheiden waren van de Hervormden. Ze woonden in mooie huizen.

Mijn lieve oma trouwde met Willem vd. Bos, een rijke tuinder. Het Westland was zeer vrouwonvriendelijk, een meisje in de wieg werd soms niet bekeken. Mijn opa zei altijd: ik heb 5 jongens. Mijn moeder telde niet mee. Heel klein was ze, ze noemde zichzelf Sie omdat ze Marie niet uit kon spreken. Zij is haar hele leven (87) chronisch depressief geweest. Zij kon goed leren. Mensen waren vroeger niet minder intelligent maar kregen de kans niet om zich te ontwikkelen. Mijn moeder had orgel les, dat mocht ook niet meer. Zij was heel muzikaal en kon heel hoog en zuiver zingen. Dus geen conservatorium voor mijn moeder, hoewel er wel geld was.

Mijn moeder is 1x weggelopen naar het huis van mijn vader. Zulke aardige mensen zei ze. Zij mocht niet met mijn vader trouwen. Op de dag van hun huwelijk wisten ze nog steeds niet of mijn opa zijn handtekening zou zetten. Mijn oma had niets te vertellen. De meubelen werden door mijn opa gekozen.

Mijn vader had zeer veel interesses. Hij werd geweigerd voor een archeologische club als lid. Zijn ouders hadden ook een grote tuin. Mijn vader mocht niet studeren. Hij wilde dokter worden. Zijn broer kreeg de tuin. Zijn andere broer, die ook artistiek en muzikaal was, en hij kregen niets.

Toen ik 11 was kreeg ik nog een zusje en wilde ik trots wandelen naar mijn opa en oma. Ik mocht met mijn zusje niet in de kamer komen. Wel zat er een even oud neefje bij hem op schoot.

Ik kon niet naar de H.B.S. vanwege het geld. Mijn vader wilde wel dat wij doorleerden. Mijn
zusje en ik gingen naar de MULO. Ik heb mij altijd erg verveeld op school. Er was niets, ik las veel maar er waren alleen wat christelijke boeken, erg braaf. De MULO was enige verbetering voor mijn leergierigheid.
Na de Mulo vele kantoorbaantjes. Op Defensie heb ik het twee uur uitgehouden. Ik ging varen als stewardess maar was meer zoetwatermatroos. Ook heb ik een opleiding verpleegkunde gedaan. Maar de gefrustreerde oude hoofdzusters vonden dat ik het altijd verkeerd deed. Ik heb ook een master Cultuurwetenschappen gedaan, maar strandde in mijn scriptie. “Oh, ze doet een cursus”, had een psycholoog geschreven in een rapport.

Mijn man heeft vaak geëxposeerd in de Oostpoort. Ik heb daar mijn man ontmoet en we zijn maar bijna gelijk getrouwd. De eerste liefde van mijn man was de kunst. Dat viel samen met zijn persoonlijkheid. Omdat hij altijd werkte ging ik daarin mee. Het Prinsenhof heeft bv. 100 rozen tekeningen met 100 Engelse aforistische gedichten van mij.

Henk en ik waren maatjes voor het leven. Wij kwamen beiden uit een moeilijke situatie. Zelf denken en doen dat mocht nooit. Dan krijg je met veel afwijzingen te maken. Mijn man kreeg uiteindelijk wel wat respect wat hij verdiende. Naast de rozen heeft Het Prinsenhof meer werk van hem.

Vanuit mijn jeugd bleef de onzekerheid mij parten spelen. Ik ben nu, ook door de trotsheid van mijn ouders, waar ik ben, en besef hoe belangrijk het is te weten wat je wortels zijn. Henk zei eens: “jouw opa regeert nog over zijn graf heen”. Ik denk dat hij gelijk heeft, dingen werken onbewust door.