Emilia van Nassau (1569-1629)

Brief van Emilia van Nassau aan de Staten Generaal
Den Haag, 7 november 1597

Mijne Heren.

Ik geloof dat uwe heren gehoord hebben van de genegenheid die de prins van Portugal mij welwillend toedraagt en die ik hem eveneens toedraag. Daarom leek het de prins goed om bij het ontstaan van deze liefdevolle genegenheid de eerlijke bedoelingen van deze verbintenis door mijn neef Willem aan mijn broer te laten kennen, zoals ik dat zelf ook gedaan heb. Mijn broer heeft hierop geen enkele reactie aan de prins gegeven, noch direct aan hem, noch via iemand anders, zoals hij ook mij met geen enkel woord heeft geschreven. Deze lange stilte heeft teweeggebracht dat de prins en ikzelf geconcludeerd hebben dat mijn broer hier niets onaangenaams in zag, omdat hij niets tot uitdrukking bracht nadat hij over ons voornemen had horen spreken. Want als het hem had behaagd om een andere mening te laten kennen, hadden wij op alle manieren geprobeerd om hem genoegen te schenken, temeer daar onze liefde toen nog niet geworteld was. En zo is deze dan begonnen te groeien, iedere dag meer en meer, zodanig dat wij uiteindelijk beloftes hebben uitgewisseld, met een zo grote vastberadenheid en standvastigheid dat vanaf dat moment alleen de dood ons nog kon scheiden.

Vervolgens heeft de prins kapitein Baptist Rossa naar het kamp bij Meurs gestuurd om mijn broer te zoeken, teneinde hem toestemming voor een huwelijk met mij te vragen. Kapitein Rossa heeft mij bij zijn terugkomst gezegd dat hij mijn broer in eerste instantie niet ver verwijderd vond van deze zaak, voor zover hij dit kon beoordelen uit zijn houding en woorden, maar dat hij hem de volgende dag heel anders aantrof en men wel in kon zien dat een aantal onruststokers van de gelegenheid gebruik hadden gemaakt om hem iets in het oor te fluisteren. Mijn broer heeft slechts een mondeling antwoord aan de prins gegeven en hij heeft gezegd dat hij, de prins, niet aan te raden was deze alliantie na te streven omdat deze het ongenoegen van de koning van Spanje zou wekken en omdat hij hierdoor alle rechten waar hij aanspraak op maakt zou verliezen. En dat wat mijzelf betreft geen enkel familielid deze verbintenis een goed idee zou vinden en dat mijn broer het met hen eens zou zijn. Waarop de prins hem per brief heeft geantwoord dat hij Zijne Excellentie zeer nederig dankte voor de moeite die hij voor hem deed, maar dat hij niet moest vergeten hoe wijlen zijn vader, de koning [van Portugal], door de koning van Spanje was behandeld zoals hij ook wijlen mijn vader de prins van Oranje had behandeld. Wat betreft het feit dat mijn familieleden niet blij zouden zijn [met deze alliantie] en dat mijn broer ook van deze mening zou zijn, schreef de prins van Portugal dat hij best had begrepen dat zijn armoede daar de reden voor was. Als conclusie schreef hij dat hij liever al zijn rechten zou willen verliezen dan niet te voldoen aan de belofte die hij mij had gegeven.

Terwijl deze brief onderweg was, ontving ik een andere van meneer mijn broer waarin hij mij liet weten dat hij vreesde dat deze voorspraak van kapitein Rossa met mijn medeweten was verricht en dat hij dat des te meer dacht daar hij de liefdesgevoelens tussen mij en de prins had ontwaard. Hij verkondigde bovendien dat hij mij nadrukkelijk verzocht om mij uit deze relatie terug te trekken omdat het iets was waarvan ik mijn leven lang spijt van zou hebben. Ik heb hem per brief geantwoord dat ik eerlijk toegaf dat de prins mij gezegd had dat hij iemand gestuurd had om hier over te spreken maar dat ik niet wist dat het kapitein Rossa was totdat ik deze bij zijn terugkomst zag arriveren. En dat het beter voor me was geweest als hij deze vermaning had gegeven toen ik mijn neef naar hem had gestuurd met het doel om mijn broer in deze zaak de gehoorzaamheid en vriendschap te tonen die ik hem altijd heb toegedragen. Maar dat het nu te laat was om mij nog uit deze liefdesrelatie terug te trekken omdat ik mijn eer en geweten had ingezet. En dat ik hem zeer nederig smeekte om mij zijn toestemming te geven omdat de zaken nu zo ver gevorderd waren dat het niet meer mogelijk was om ons terug te trekken.

Vervolgens ontving de prins een brief van mijn broer als antwoord op de zijne; hierin stond dat mijn broer deze verbintenis niet passend achtte, noch voor de één, noch voor de ander, en dat hij hem zo hoog achtte dat hij niet iets wilde doen dat hem schade zou kunnen berokken en tegelijk weinig aangenaam voor mijn broer was. Waarop de prins antwoordde dat als mijn broer datgene wat hij nu aangaf had laten weten op het moment dat hij door mijn neef graaf Willem over de eerlijke intenties die hij met mij voor had, had horen spreken, hij op alle manieren geprobeerd zou hebben om hem te behagen door zelfs het land te verlaten als dat nodig was geweest. Maar dat er nu geen mogelijkheid meer was om zich terug te trekken en dat, hoewel deze verstrengeling al aan de Hemel was gegeven, hij niet blij geweest zou zijn als mijn broer hier niet zijn welbehagen en toestemming voor had aangedragen.

Ikzelf heb toen, omdat ik gezien had hoezeer de prins getracht had om de toestemming van mijn broer te bemachtigen en er voor dit alles geen enkel ander antwoord behaald kon worden dan bovenstaande, besloten, enerzijds op aanraden van mijn goede vrienden, anderzijds om mijn geweten en eer te ontlasten, en tevens voor de plicht die ik mijn broer verschuldigd ben, om naar het kamp van Bredevoort te vertrekken in de hoop dat ik iets gunstigs zou verkrijgen, door middel van nederige verzoeken, zoals een dochter aan haar vader doet, en niet een zus aan haar broer. Maar helaas viel mij niets ten deel en heb ik alleen maar de vastbeslotenheid van mijn broer kunnen constateren, waarmee ik begreep dat hij nooit zijn toestemming voor dit huwelijk tussen mij en de prins zou geven, wat ik sindsdien ook heb begrepen van uit het verslag van mijn schoonmoeder.

Welnu, geconstateerd hebbende dat al deze nederige verzoeken en plichtsuitoefeningen van ons beiden niets van deze hardheid konden wegnemen en dat men verwachtte dat de bewuste komst van mijn broer ons eerlijk voornemen in de weg zou staan, besloot ik uiteindelijk om naar Delft te gaan, naar het huis van mijn zwager en familielid, de graaf van Olac , die één van mijn beste vrienden is en die mij geadviseerd heeft om deze verbintenis aan te gaan met veel mooie aanbiedingen, dat ik niet twijfel dat de effecten eruit zullen volgen, hebbende zeer duidelijk met hem gesproken voor zijn vertrek. Te Delft, heb ik besloten om mijn aankondigingen te laten doen, hoewel ik al voor de Katholieke kerk met de prins getrouwd ben, maar dit is specifiek om de mensen van de godsdienst die ik aanhang tevreden te stellen, de godsdienst waar ik heel mijn leven, als God dat wil, aan vast zal houden. En in het geval dat ik hierin verhinderd word, werp ik tegen dat men mij groot onrecht aandoet en dat alles wat al begaan is voor mij volstaat ten opzichte van God en de wereld; ten slotte heb ik dit besluit niet in werking willen zetten voordat ik deze bij uwe heren heb laten kennen.

Dus heren, smeek ik u, omdat u zo wijs en in alles zo scherpzinnig bent, te willen geloven dat wij net zo veel toegenegenheid voor de gemeenschappelijke zaak en voor uwe heren hebben als mijn andere zussen, want hoewel wij niet over zoveel middelen beschikken, ontbreekt het ons niet aan affectie en moed om u te eren en u zeer nederige diensten te bewijzen als ware het aan onze eigen vaders. Wij smeken u om ons deze gunst te verlenen om ons in de rang van uw kinderen en meest nederige dienaren te behouden. U verzekerende, Heren, dat ik er erg mee ingenomen ben dat ik hem als mijn echtgenoot heb uitgekozen en dat ik mij zo gelukkig acht dat ik mijn rijkdom niet zou willen ruilen met die van de grootste vorst der wereld. Want dit is wat God gewild heeft, eerder door zijn goddelijke voorzienigheid dan voor wereldse eerzucht en omdat dit zijn goddelijke wens is geweest, beschouw ik mij als volmaakt gelukkig. En ook al heb ik dit geluk niet ten opzichte van geldelijke middelen, dan heb ik het wel met zijn persoonlijkheid en mooie karaktereigenschappen. U verzekerende, Heren, dat wij nooit anders dan uw hele nederige en toegewijde dienaren en kinderen zullen zijn, ikzelf in het bijzonder.

Uw zeer toegenegene en welwillende vriendin

Emilia van Nassau

Te Den Haag, deze 7e november 1597

Aan Mijne Heren

De heren van de Staten Generaal

Je kunt hier het digitale origineel van deze brief bekijken.

Het verhaal van Emilia van Nassau

Duitse protestantse prinsen staan voor Emilia, de dochter van Willem van Oranje, in de rij. Maar Emilia is eigengereid en vindt ze niet goed genoeg. Zij valt op de katholieke kroonprins van Portugal en zonder toestemming trouwt ze in het geheim met hem. Na jaren huwelijk kiest haar man in de oorlog de kant van Spanje. Emilia is woedend en verlaat hem, omdat ze weigert zich in te laten met de moordenaars van haar vader.

Ze is pas twee jaar oud als in 1571 het conflict tussen haar ouders, Willem van Oranje en Anna van Saksen, een hoogtepunt bereikt en ze wordt ondergebracht bij haar oom Jan op Kasteel Dillenburg. Het is een droevige situatie: Emilia zou haar moeder niet meer terugzien. Na de dood van ook haar vader wil Emilia dan ook niks liever dan naar Delft afreizen en bij haar familie zijn. Pas in 1588, vier jaar later, is het eindelijk zover en komt ze in het Prinsenhof wonen.

Aan het hof van Maurits is Emilia een graag geziene gast. Met haar schoonheid staan de huwelijkskandidaten in de rij, maar Emilia is kieskeurig. Tot ze de in ballingschap levende kroonprins Emanuel van Portugal ontmoet. Een probleem: Emanuel is katholiek en van Maurits krijgt zij daarom geen toestemming om met hem te trouwen. Emilia laat het er niet bij zitten en trouwt in het geheim met Emanuel. Die avond nog schrijft ze een brief aan de Staten-Generaal waarin zij haar geheime huwelijk en vrije keuze verdedigt. Het mag niet baten, ze keuren het huwelijk af en ze krijgen huisarrest in Duitsland. Pas een jaar later, na de geboorte van hun eerste kindje, mag het echtpaar terugkeren naar Delft. Er worden daarna nog negen kinderen geboren.

Het huwelijk zou vele jaren later alsnog ontbonden worden omdat Emanuel na het overlijden van Maurits, onverwachts de kant van Spanje kiest. Emilia, vastberaden als altijd, weigerde om zich in te laten ‘met de moordenaars van haar vader’. Vijf van haar acht kinderen liggen begraven in de Waalse Kerk van het Prinsenhof.

Meer lezen over het leven van Emilia

Disclaimer: om de leesbaarheid van deze zestiende-eeuwse brieven te bevorderen, is op sommige plekken gekozen de zinsstructuur en het taalgebruik aan te passen.

© Beeld: Daniël van den Queborn, Portret van Emilia van Nassau, ca. 1593, olie op doek, Paleis Het Loo, Apeldoorn, bruikleen van Geschiedkundige Vereniging Oranje-Nassau